carpool
mannelijk (de)/ˈkɑrpuːl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) groep mensen die gewoonlijk samen naar hun werk reizen in een auto die een van hen bestuurt, met afgesproken toerbeurten of onderlinge vergoedingenDit levert een bijdrage aan het doelmatiger gebruik van brandstof, wegen en parkeerruimte; om die reden wordt carpooling vaak bevorderd door overheden en werkgevers in aanvulling op de besparing van benzinekosten voor de deelnemers.Mijn vriendin is iemand die altijd als eerste aanbiedt de carpool te organiseren, elke dag vijf kilometer rent en ook nog vanuit haar huis een bedrijf runt.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek