carpooler
mannelijk (de)/ˈkɑrpuːlər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) automobilisten die in de auto van één van hen, samen naar een gemeenschappelijke bestemming gaan, en vice versa”Zal ik volgende week rijden?” vroeg Jaap, de nieuwe carpooler.
Etymologie
* van carpoolen
Vertalingen
Engelscarpooler
Franscovoitureur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek