carrousel
/kɑru'sɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een ronddraaiende kermisattractieDe kinderen willen in de carrousel.
- (waterbeheer), (techniek) een waterzuiveringsmethode
- (techniek), (industrie) een machine in een fabriek die (horizontaal) ronddraait, vaak gebruikt om een product te laten drogen of om een verpakking te vullen
- (huishouden) een ronde draaischijf in een keukenkast
- (figuurlijk) een niet-homogene verzameling van iets (meestal in abstracte zin)Chantal voelde hoe schaamte een plaatsje in de carrousel van haar gevoelens opeiste.
Etymologie
* Frans
Vertalingen
Engelscarousel, carrousel, merry-go-round
Spaanstiovivo, carrusel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek