casco

onzijdig (het)/'kɑsko/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. romp van een gebouw, auto of schip dus zonder de inrichting
    Het gebouw is gestript tot het casco van beton en staal.

Etymologie

* Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘romp van schip of auto’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1614

Vertalingen

Engelsshell