charcuterie

vrouwelijk (de)/ʃɑrkytə'ri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fijne vleeswaren
    Maar alles valt in het niet bij de charcuterie. Daarin toont Schellekens zich waarlijk heer en meester. En dat is een vak apart. Hammen en droge worsten van jonge en oude geiten zo perfect vettig en mals te houden, getuigt van vakmanschap. Ongelooflijk indrukwekkend is de gepekelde, op hooi gerijpte varkensfilet: flinterdun gesneden, fluwelen (eigenlijk rauw) varkensvlees met een vleugje hooi, werkelijk kunstig.Joël Broekaert NRC 18 juni 2016
  2. handel, voeding (handel), (voeding) (vooral Vlaams) winkel waar de onder [1] genoemde producten worden verkocht

Etymologie

*Leenwoord uit het Frans