charmeur

mannelijk (de)/ʃɑr'mør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die mensen (en dan nog vooral vrouwen) weet te bekoren
    James Bond is een echter charmeur.
    Wij waren een cocktail van uitersten (in willekeurige volgorde): rustig, uitgesproken en luidruchtig. Drugs, alcohol en water. Wild, voorzichtig en nieuwsgierig. Levend in het verleden in het heden en in de toekomst. De entertainer, de charmeur en de verleider. Kinderachtig, zorgzaam en met een luisterend oor.

Etymologie

* van charmeren

Vertalingen

Engelscharmer
Franscharmeur
DuitsCharmeur
Spaansencanto, seductor