chauffeur

mannelijk (de)/ˈʃofør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer, beroep (verkeer) de bestuurder van een motorvoertuig (ook (beroep))
    De chauffeur verloor de macht over het stuur en daarom vloog de auto de berm in.
    Een vrachtwagenchauffeur heeft zijn dak eraf gereden bij de Stationstunnel in Den Bosch. De wagen was te hoog om door de tunnel te rijden, maar daar kwam de bestuurder te laat achter. Het zou om een jonge chauffeur gaan die pas net zijn vrachtwagenrijbewijs heeft, maar het bedrijf uit Elshout waar de vrachtwagen van is wil niet verder op details ingaan. Omroep Brabant Maaike Cnossen 28-8-2019 [https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/3059012/Jonge-chauffeur-bestuurde-vrachtwagen-die-dak-verloor-in-Stationstunnel-in-Den-Bosch-VIDEO Jonge chauffeur bestuurde vrachtwagen die dak verloor in Stationstunnel in Den Bosch]
    'Er zou een chauffeur komen om jullie bagage naar Corleone te brengen, maar ik kan hem niet bereiken,' legt hij uit.

Etymologie

*afgeleid van het Franse 'chauffeur' (stoker) ()

Vertalingen

Engelsdriver, chauffeur
Franschauffeur, conducteur
DuitsFahrer, Chauffeur
Spaanschófer, conductor
Italiaansautista
Russischводитель
Turkssürücü, şoför
Poolskierowca, szofer
Zweedsförare, chaufför