cheeta
mannelijk (de)/ˈtʃita/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) bepaald soort zoogdier, , zeer snelle Afrikaanse katachtige
Etymologie
*van "cheetah" dat komt van "चीता" (cītā) "luipaard, panter", in de betekenis van ‘katachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1947
Vertalingen
Engelscheetah
Fransguépard
DuitsGepard
Spaansguepardo
Italiaansghepardo
Portugeeschita
Turksçita
Poolsgepard
Deensgepard
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek