jachtluipaard

mannelijk (de)/ˈjaxtlœypart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, , gekenmerkt door een lange staart, geelachtige huid met donkere vlekken, lange poten met niet-intrekbare klauwen en een kleine kop met een eigenaardige zwarte traanstreep van ooghoek naar mondhoek

Vertalingen

Engelscheetah
Fransguépard
DuitsGepard
Spaansguepardo
Italiaansghepardo
Portugeeschita
Poolsgepard
Deensgepard