chrono

mannelijk (de)/ˈxrono/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uurwerk dat precies laat zien hoeveel tijd tussen aan- en uitzetten is verlopen
    De paal waarop de elektronische chrono was bevestigd, was afgeschermd door twee strobalen met een dikte van vijftig centimeter en een breedte van een meter.
  2. sport (sport) tijdsduur waarin een bepaalde prestatie is geleverd
    Marianne Muis in haar nadagen tikte gisteren in exact dezelfde tijd aan en wilde die chrono terstond uit haar geheugen wissen. In twintig jaar kampioenshistorie werd maar vier keer trager gezwommen.
  3. wielrennen (wielrennen) wedstrijd waarbij deelnemers afzonderlijk na elkaar starten en proberen een parcours in de snelste tijd af te leggen
    Hij wenst op een waardige manier afscheid te nemen, door alsnog deel te nemen aan het WK op de weg en tijdrijden, begin volgende maand in Colombia. Een week geleden, na het NK chrono, liet hij zich nog niet vermurwen, ondanks een smeekbede van bondscoach Knetemann. Achteraf betrof het een leugentje om bestwil.

Etymologie

**[3] uit betekenis [2], omdat het bij deze wedstrijdvorm om de gerealiseerde tijd gaat zodat de race voor het oog niet tegen andere renners, maar "tegen de chrono" wordt gereden

Uitdrukkingen

  • op de chrono brengen