tijd

mannelijk (de)/tɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
    Doorheen de tijd heeft de aarde al heel wat evoluties meegemaakt.
    Ze zeiden dat het de koudste winter sinds honderd jaar was of in elk geval zo ver terug in de tijd als iemand zich kon herinneren. Het kwik daalde soms tot rond de -40, hoewel de wind minder erg was dan daarboven op de vlakte.
  2. duur van de gelegenheid om iets te doen
    Je moet hem even de tijd gunnen om dit werk af te maken.
    Geen tijd meer om van de top af te komen.
  3. sport (sport) gemeten duur waarbinnen een bepaalde prestatie is geleverd als maatstaf voor succes
    De wielrenner heeft ondanks zijn blessure een goede tijd gereden.
    De estafettezwemsters bereikten de finale van de 4 x 100 meter vrije slag met de tweede tijd, achter Australië.
  4. bepaalde periode waarin iets gebeurt
    Het voorjaar is een goede tijd het huis schoon te maken.
    Dan kan hij er staan en zeggen dat hij zich in deze moeilijke tijden et cetera et cetera toch heeft opgeofferd uit liefde voor zowel zijn dochter als de tradities van zijn geslacht.
  5. bepaald moment waarop iets gebeurt
    Het is nu tijd om te beginnen.

Etymologie

:Noord: //: tid (: tíð)

Uitdrukkingen

  • bij tijd en wijle
  • met tijd en boterhammen
  • Met de tijd meegaanZich aanpassen of veranderen naargelang de in de loop van de tijd gewijzigde omstandigheden
  • te gelegener tijd
  • te ongelegener tijd
  • te zijner tijd
  • Zijn tijd vooruit zijnheel modern zijn, vernieuwend zijn|t=z
  • Tijd heelt alle wonden/Tijd slijtMet het verstrijken van de tijd worden negatieve herinneringen zwakker en de erge/verdrietige/zware/kwaadmakende dingen minder erg

Vertalingen

Engelstime
Franstemps
DuitsZeit
Spaanstiempo
Italiaanstempo
Russischвремя
Poolsczas
Deenstid