citroensmaak

mannelijk (de)/siˈtrunsmak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de de zurige, zoete smaak van citroen
    Er zat een klein, doorzichtig doosje in gevuld met citroengeel poeder. Het kind leek teleurgesteld, en ook de moeder wist niet wat het was. 'Druivesuiker,'zei Ernst. `Druivesuiker met citroensmaak.'
    Enkele tafels verderop moet er geproefd worden. Er staan piepkleine glazen. Ze zijn gevuld. Maar waarmee? De glazen staan op placemats met afbeeldingen van citroenen. Ook op de viltjes zijn citroenen afgebeeld. Naast de glazen staat een fles Karvan Cevitam met citroensmaak.