citrusvrucht

mannelijk/vrouwelijk (de)/'sitrʏsfrʏxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Citroenen, mandarijnen, grapefruit, en sinaasappel zijn bekende citrusvruchten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘naam voor vruchten van het geslacht Citrus’ voor het eerst aangetroffen in 1947

Vertalingen

Engelscitrus
Fransagrume
DuitsZitrusfrucht
Spaanscitrico
Italiaansagrume
Russischцитрус