civet
/siˈvɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- sterk ruikende afscheiding uit een klier bij de anus van de civetkat die wordt gebruikt in de parfumindustrie en die zo'n heerlijke smaak aan de civetkoffie geeft
- (roofdieren) individu van de diersoort civetten
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘door civetkat afgescheiden stof’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Vertalingen
Spaansalgalia, civeta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek