clausuur

vrouwelijk (de)/klɔu'zyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) afsluiting van bepaalde delen van een klooster voor buitenstaanders
  2. slot (om een boek te sluiten)

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afsluiting’ voor het eerst aangetroffen in 1790

Vertalingen

Engelsseparation
Fransclôture
Spaansseparación