climax

mannelijk (de)/'klimɑks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. letterkunde (letterkunde) iets cruciaals waar in de loop van het verhaal naartoe gewerkt wordt
    De climax van het verhaal was voor mijn gevoel wel erg snel afgelopen.
    De Washington Post bracht een ode aan deze ‘nieuwe’ manier van tv-kijken, die de belangrijkste beperking van het leven - we hebben niet eeuwig de tijd - probeert te omzeilen. Je gaat tv kijken alsof je een boek leest, aldus Washington Post-journalist Jeff Guo: snel bladeren door de saaie passages en terugkijken naar de scènes die de moeite waard waren. Dat lijkt verdacht veel op het zapgedrag van een pornoconsument die van climax naar climax klikt. Snelkijkers zijn, als je hun getuigenissen mag geloven, dan ook allemaal mensen die in hun eentje televisie kijken. 28 juni 2016 NRC
  2. een opsomming waarbij de opgesomde delen geleidelijk in sterkte toenemen
    De arrestatie lijkt de climax van een twist die vorige week begon. In haar Metro-column - overgenomen van haar vermoorde leermeester Theo van Gogh - beet ze stevig van zich af over het Turkse consulaat in Nederland. NRC Enzo van Steenbergen 12 mei 2016
  3. biologie (biologie) het einde van een ecologische successie waarbij de biomassa constant blijft
  4. maximale waarde, uiterste
    Die onvrede bereikte een climax.

Etymologie

*Via het Latijnse clīmax van het Oudgriekse κλῖμαξ = ladder, trap