clubgeest
mannelijk (de)/ˈklʏpxest/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het gevoel bij elkaar te horen dat mensen hebben die lid zijn van een (sport)club"Ik begon bij de Landelijke Rijvereniging, en haalde meer dan behoorlijke resultaten. De eerste jaren was ik vooral bezig met amusement, en niet met winnen of verliezen. Later kwam de competitiegeest meer boven. Maar ik heb altijd een evenwicht tussen de clubgeest en prestatie willen bewaren." De Standaard 19 augustus 2005 W. Verschelden [http://www.standaard.be/cnt/g8ph602u Deel de passie. Tinne Rombouts (CD&V) "Paard en ruiter winnen samen"]Onze club telt momenteel 43 leden. Dat zijn allemaal mensen die bonsai een warm hart toedragen. We willen niet alleen de bonsaikunst hoog houden, maar ook de clubgeest met een gezellige babbel en drankje op peil houden. De Standaard 3 mei 2008 S. Luyckx [http://www.standaard.be/cnt/5e1rjbll 'Bonsai is geen kwetsbaar boompje']"De clubgeest en het clubhuis vormen de belangrijkste pijlers van onze tennisclub", zegt Geert De Raeve. De Standaard 13 februari 2008 [http://www.standaard.be/cnt/0q1nthrh Tennisclub GTC blaast dertig kaarsjes uit]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek