collega

mannelijk (de)/kɔˈleɣa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt.
    Samen met mij werden er nog zes andere collega's ontslagen.
    Een op de drie werknemers heeft wel eens iets met een collega gehad, blijkt uit een onderzoek dat vacaturewebsite jobbird.com vorig jaar hield onder vijfhonderd respondenten. Volgens de enquête die uitzendbureau Unique elk jaar rond Valentijnsdag houdt, heeft zelfs tweederde van de werknemers wel eens wat met elkaar uitgespookt. NRC Caroline van Keeken 21 juni 2016
    Heleen en Pieter Kronenberg zitten naast mensen die ik niet ken. Waarschijnlijk collega's van je.
  2. een vak- of ambtgenoot.
    Een op de drie zorgverleners die een collega ziet disfunctioneren, doet daar niets aan. Zelfs als het welzijn van de patiënt in het geding is, trekt een deel van de artsen niet aan de bel. Dat blijkt uit een onderzoek van het Nijmeegse Radboudumc, zo meldt Trouw. NRC Carlijn Vis 15 februari 2016
    Wetenschappers feliciteerden hun collega met zijn uitvinding.

Etymologie

*Afkomstig van het Latijnse woord collēga (een ambtgenoot). Samengesteld uit lēgāre (naar een ambassade sturen)

Vertalingen

Engelscolleague, coworker, workmate
Franscollègue
DuitsKollege, Kollege
Spaanscolega
Italiaanscollega