combinatie
vrouwelijk (de)/ˌkɔmbiˈna(t)si/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het verband tussen begrippen, zaken, etc
- het samenvoegen of verbinden van twee of meer afzonderlijke zaken of personen tot een eenheid of een geheelEen combinatie van een sterke accijnsverhoging en voorlichting kan de maatschappij zowel financieel voordeel opleveren als het aantal rokers in Nederland laten dalen. NRC 9 juni 2016Toch was er ook nog wat optimisme te vinden in de collecties. In het kanariegeel bij Hermès, bijvoorbeeld, en het roze bij het Japanse Sacai en de combinatie van oranje en roze bij het Antwerpse modehuis Haider Ackermann. NRC Milou van Rossum 30 juni 2016'Die groene kleur zou misschien iets voor Johanne zijn, haar rode haar is als geschapen voor die combinatie,'ging hij ongelukkigerwijs verder.
- voertuig met aanhanger of ander gevolg
- (kleding) kledingstukken die bij elkaar passen
- (sport) samenspel waarbij de bal vlot rondgaat
- (sport) ruiter en springpaard samen
- (spel) reeks zetten in het schaak- of damspel die een speler achtereenvolgens doet om een doorbraak te forceren
Etymologie
* van combineren ()
Vertalingen
Engelscombination
Franscombinaison
DuitsKombination
Spaanscombinación
Portugeescombinação
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek