commensaal
mannelijk (de)/kɔmɛnˈsal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) (biologie) onschadelijke gastkiem (bacterie) bijv. in de darm
- (verouderd) kostganger
Etymologie
*afgeleid van het Latijnse mensa (tafel) (commensalis [die aan dezelfde tafel eet], van com- [samen] + mensa)
Vertalingen
Engelscommensal
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek