concurrent

mannelijk (de)/ˌkɔŋkyˈrɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) een mededinger, een persoon of onderneming die met andere personen of ondernemingen hetzelfde doel voor ogen hebben, hetzelfde product verkopen of dezelfde wedstrijd winnen
    Het was niet goed, het was zenuwslopend, maar FC Twente is terug in de eredivisie. Omdat de enige overgebleven concurrent Sparta onderuit ging bij Jong PSV, was een punt tegen Jong AZ voldoende. De mooiste 0-0 van het seizoen voelde als de meest glorieuze zege. De ultieme bevrijding. Tubantia Leon ten Voorde 22-04-19 [https://www.tubantia.nl/fc-twente/fc-twente-heeft-de-titel-binnen-na-remise~a4617da4/ FC Twente heeft de titel binnen na remise]
    Uit eigen beweging vertelde hij mij dat hij afkomstig is van het eiland Kreta, dat de Europese beschaving daar is ontstaan, dat dat geen toeval is, dat hij eigenaar is van een rederij en scheepswerf in Heraklion, dat dat hard werken is maar dat hij zich graag inspant voor de mensheid en dat hij de economische crisis goed was doorgekomen omdat hij anders dan de meesten van zijn concurrenten al jaren geleden had begrepen dat de toekomst buiten Europa lag.
    Ultrafast fashion wordt vaak verkocht voor een kringloopprijs en is daardoor voor ons een serieuze concurrent, zegt de brancheorganisatie. "We zien dat mensen heel graag iets nieuws willen kopen. Op het oog ziet zoiets op een webshop er mooi uit, maar kwalitatief stelt het niet zo veel voor."

Etymologie

# dezelfde rang hebbend als andere schulden, leningen of aandelen

Vertalingen

Engelsunsecured, competitor
Franschirographaire, concurrent
Duitskurrent, Konkurrent
Spaansquirografario, competidor, rival
Italiaanschirografario, concorrente
Portugeesquirografário