conjunctuur

vrouwelijk (de)/ˌkɔɲʏŋkˈtyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) de verandering van het groeipercentage van de economie of de productie op de korte termijn
    Aandacht voor de conjunctuur in de media en de academische wereld schommelt net zo sterk als de conjunctuur zelf.[http://www.eco.rug.nl/~jacobs/jjdownload/conjunctuur%20en%20oorlog.pdf eco.rug.nl]
    De vastgoedmaatschappij was dus in de huidige conjunctuur een enorm verborgen kapitaal, een vergeten en slapende goudmijn.

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse conjunctura ()

Vertalingen

Spaanscoyuntura