contact

onzijdig (het)/kɔnˈtɑkt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
    Doordat de twee voorwerpen elkaar aanraakten, ontstond er contact.
  2. communicatie (communicatie) onderlinge communicatie
    Zij bleven in contact met elkaar.
    Nadat ik rechten had gestudeerd en bij een advocatenkantoor ging werken, raakte ik naast het contact met mijn lichaam ook mijn 'gave' kwijt.
    'Alle manschappen in Andalusië met wie ik telefonisch contact heb gehad, gehoorzamen mijn bevelen en hebben de straten overgenomenm De autoriteiten van Sevilla, en allen die met hen en met de zogenaamde regering in Madrid sympathiseren, zijn gearresteerd en staan onder mijn bewind.
  3. een contactpersoon
    Zij is mijn vaste contact als het om wiskundige sommen gaat.
  4. elektrotechniek (elektrotechniek) een verbinding van twee elektrische geleidingen
    Door het gemaakte contact ontstond er een kleine spanning.
  5. elektrotechniek (elektrotechniek) een elektrische schakelaar
    Zet het contactje even om.
  6. geologie (geologie) de grens tussen stollings- en nevengesteente
    De grens tussen stollings- en nevengesteente noemt men contact.

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse 'tangere' (aanraken)

Vertalingen

Engelscontact, contact, contact
Franscontact, contact, contact
DuitsKontakt, Kontakt, Kontakt
Spaanscontacto, contacto, contacto