afzondering

vrouwelijk (de)/ˈɑfsɔndərɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) een bestaan in een geïsoleerd leefgebied
    Er zijn in Zuid-Amerika nog altijd stammen die in grote afzondering leven.
  2. veeteelt (veeteelt) het uit elkaar houden van dieren
    De afzondering werd niet goed gehandhaafd waardoor de twee dieren snel weer met elkaar konden vechten.
  3. psychologie, juridisch, medisch (psychologie), (juridisch), (medisch)een gedwongen verblijf in eenzaamheid vanwege gedragsproblemen, besmettingsgevaar enz.
    Hij had gelijk, mijn experiment om in stilte te lopen moest ik meer in afzondering uitproberen en niet de groep er te veel mee lastigvallen, dus ik trok me in de dagen daarna steeds meer terug.
    Hij moest vanwege zijn gedragsstoornis jarenlang in afzondering leven.
  4. sociologie (sociologie)het beperkt raken van contact door lichamelijke of geestelijke gebreken, voorspoed of financiële tegenslag, familieomstandigheden enz.
    Zij leeft in afzondering nu de familie niets meer met haar te maken wil hebben.

Etymologie

* van afzonderen .

Vertalingen

Engelsseparation, segregation
Fransseparation, isolement
DuitsAbsonderung
Spaanssegregación, separación