context
mannelijk (de)/ˈkɔntɛkst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verband waarin iets zich voordoetZij spreken ook wel van de 'eerste globalisering' van sport binnen een neo-imperialistische context (vooral in het Britse rijk), vooruitwijzend naar een tweede golf van globalisering van sport na de Tweede Wereldoorlog.Zelfs Dorien zou ze met zo'n benaming tekortdoen. Al moest je dat natuurlijk weer in een andere context zien.
- de tekst die om de tekst heen staatAfhankelijk van de context is dit verliefdheid, politieke overtuiging, een persoonlijke bespiegeling over de vergankelijkheid van het leven (symposium), of religieuze poëzie voor een festival.In de zinnen: „Ik haalde mijn geld van de bank.” en „Ik ging lekker op de bank zitten.” is de betekenis van het woord bank alleen maar te begrijpen door de context.Later nuanceerde hij zijn antwoord. ‘Er is niets verzonnen, maar je moet het geschrevene in een context zien. Het is een verheerlijking van bepaalde idealen.’Tubantia 18-04-12 [https://www.tubantia.nl/buitenland/breivik-doodstraf-of-vrijspraak-enige-keuze~a09e94cc/ Breivik: 'Doodstraf of vrijspraak enige keuze']
- de gebeurtenissen die vóór het gebeurde hebben plaatsgevondenDe ontwikkelingen in Turkije kun je alleen maar begrijpen in de historische context.
- (oorkondeleer, diplomatiek) zakelijke inhoud of bewoordingen van een oorkonde
Etymologie
* Leenwoord uit Frans contexte, overgenomen uit Latijn contextus, het gesubstantiveerde verleden deelwoord van contexere ‘samenvlechten, -bouwen’.
Vertalingen
Engelscontext
Franscontexte
DuitsKontext
Spaanscontexto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek