contour
mannelijk (de)/kɔn'tur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- beschrijving of afbeelding van de buitenzijde van iets zonder detailsDoor de mist zagen we alleen de contouren van het flatgebouw.De architect presenteerde de contouren van het plan.
- de omtrek van iets, het silhouetVer voor hem uit, nog altijd veel verder dan hij gedacht had, zag hij de kontoeren (contouren) van de Bergen van Stilte.{{Aut|Herzen, FrankHet voelde goed om een vers pad in de sneeuw te kunnen maken. Heel langzaam volgden we de contouren van de haarspelden naar beneden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omtrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek