contractduur

mannelijk (de)/kɔnˈtrɑɡdyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lengte van de periode waarop een overeenkomst betrekking heeft
    Woldring waarschuwt voor het overhaast afsluiten van driejarige contracten. Het is de contractduur die de energieleveranciers zelf actief aanbieden en de reden dat 22 procent van de huishoudens drie jaar aan een contract vastzit, terwijl maar 3 procent van de huishoudens een tweejarig contract heeft.