contrapunt

onzijdig (het)/'kɔntrapʏnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) hiermee wordt in de muziektheorie de leer der meerstemmigheid verstaan
  2. afwijking t.o.v. de omgeving
    De buitenproportioneel grote klokkentoren van rode baksteen met een witte marmeren omgang en een groen puntdak bracht met zijn asymmetrische plaatsing een belachelijk contrapunt aan in de rationele, paradeerbare ruimte, dat juist vanwege het feit dat het concessieloos gewaagd en overdreven was effectief en elegant uitpakte.

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘verbinding van aantal stemmen op bepaald motief’ voor het eerst aangetroffen in 1795

Vertalingen

Engelscounterpoint
Franscontrepoint
DuitsKontrapunkt
Spaanscontrapunto