controlestrook

mannelijk (de)/kɔn'trɔːləstrok/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het afscheurbare deel van een toegangskaartje (zoals voor een evenement, trein of bus) dat bij de controle wordt afgescheurd en aan de gebruiker wordt teruggegeven als bewijs van betaling, terwijl de rest van het kaartje wordt ingenomen

Etymologie

* uit het Engels