coronalijer

mannelijk (de)/koˈronaˌlɛijər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) rotzak
    Zo was er veel kritiek op de verkoop van mondkapjes door het bedrijf met teksten als ‘krijg de corona’, ‘coronalijer’ en ‘mondkappen nou’.
    Een man passeerde een vrouw die voorover gebogen het chipsaanbod stond te vergelijken. Niet dat ze de calorieën nodig had trouwens. En de man passeerde op veel te korte afstand. En zij ontstak in woede. Ze had ook wel gelijk eigenlijk: het was niet alleen coronagrensoverschrijdend, het was maar een paar centimeter verwijderd van aanranding. De man kreeg er verbaal flink van langs, met een westelijk campingaccent: "Hallo, dat is lekker." Hij werd uitgescholden voor coronalijer.

Etymologie

* , letterlijk: patiënt met COVID-19, maar in die betekenis niet gebruikelijk