crime

mannelijk (de)/krim/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. misdaad, verouderd (misdaad) (verouderd) wandaad tegen regels die het algemeen belang beschermen
    Crime, ‘criem’, ‘mesdaet’, ‘felony’, is bovenal vergrijp tegen de maatschappij, tegen den ‘landvrede’ of openbare veiligheid, die door allen beschermd moet worden: délit, ‘mesuse’, ‘schade’, is vergrijp tegen den bijzonderen persoon.
  2. figuurlijk (figuurlijk) noodzakelijke handeling of ervaring die veel moeite en ergernis geeft
    De signalen van hun laaggeletterde cursisten waren immers overduidelijk: ze vonden een bezoek aan het ziekenhuis een crime.
  3. moeilijkheid, ongemak
    Die eeuwige onzekerheid was een crime waarvoor zij zichzelf regelmatig vervloekte.

Etymologie

*van "crime"

Uitdrukkingen

  • [1] crime passionnelmisdaad uit hartstocht; meestal: moord uit jaloezie op een of beide partners in een relatie door iemand die door een van hen is afgewezen