criminalisering

vrouwelijk (de)/ˌkrimiˌnaliˈzerɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bij wet verklaren dat bepaalde handelingen verboden zijn en door de rechter bestraft kunnen worden en dat degene die die handeling verricht een misdadiger is
    Hij was bovendien, tot enthousiasme van de seksliberalen, ook tegen de criminalisering van bepaalde gedragingen, zoals politiek rechts door wilde voeren.

Etymologie

* afleiding van (nomact) criminaliseren