cyclus

mannelijk (de)/ˈsiklʏs/

Wat is de betekenis van cyclus?

cyclus betekent: terugkerende, regelmatige reeks

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. terugkerende, regelmatige reeks

Voorbeelden van "cyclus" in een zin

  • Zomer, herfst, winter en lente vormden de cyclus van het jaar.

Etymologie

*van Latijn "cyclus", in de betekenis van ‘kring, reeks’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Vertalingen

Engelscycle
Franscycle
DuitsZyklus
Spaansciclo
Portugeesciclo
Poolscykl