daggelder
mannelijk (de)/ˈdɑxɛldər/
Wat is de betekenis van daggelder?
daggelder betekent: (historisch) iemand die op het platteland per dag in dienst wordt genomen tegen een op dat moment afgesproken vergoeding
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (historisch) iemand die op het platteland per dag in dienst wordt genomen tegen een op dat moment afgesproken vergoeding
- iemand die zonder vaste aanstelling werkt tegen een vergoeding per dag
Voorbeelden van "daggelder" in een zin
- De gewone daggelder verdiende 's winters acht en 's zomers twaalf stuivers.
- Het klinkt alles heel fraai om tegen een onbemiddelden daggelder, met zeer veel aanleg om een uitmuntend rijder te worden, te zeggen: kerel, wat heb jij een mooie actie, je hebt een besten tijd gemaakt, je moest je gaan trainen! Je moet een stevig ontbijt gebruiken: rund- en lamsvleesch (geen varkens of kalfsvleesch); het middageten bestaat uit gebraden rund- of lamsvleesch kip, wild of visch en versche (geen ingemaakte) groenten. Doch dat zijn lekkernijen, die een arbeider of polderwerker niet in zijn rechtmatig bezit kan krijgen.
- Wies Perelaer zal Du Perron in het begin met scheve ogen hebben aangekeken, want zelf was zij met ingang van 1 januari 1938 ook aangenomen als daggelder, maar op een loon van slechts vier gulden per dag.
Etymologie
*afgeleid van "daggeld"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek