daggen
/ˈdɑɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) met een voegspijker afstrijkenHet aanbrengen van deze dagstreep noemt men “daggen”.
- (ov) (verouderd) met een dolk doorstekenMaar 't eerste door de poort zynde, dringen'er d'andere op aan, en ooverweldighen de wacht: een der welke, een smit zyns ambachts, en in 't voorst om den inbrek te keeren, met 's Graaven eyghen handt, zoo men zeidt, gedagt werd.
Etymologie
*: dagge met uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek