dak
Wat is de betekenis van dak?
dak betekent: (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Betekenis
- (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Voorbeelden van "dak" in een zin
- Door de hevige storm stortte het dak in.
- Uw witte schimmel is zwaar ziek, het zal zeker zes weken duren voordat hij weer beter is. En het is het enige paard dat over de daken kan rijden!'
Betekenis en uitleg van dak
Een dak is het bovenste deel van een gebouw dat bescherming biedt tegen weersomstandigheden zoals regen, sneeuw en zon. Het vormt een afsluiting van de ruimte eronder en zorgt voor veiligheid en comfort.
Het woord 'dak' wordt vaak gebruikt in de context van woningen en gebouwen, maar ook in bredere zin, zoals in de uitdrukking 'onder één dak'. In de architectuur zijn er verschillende soorten daken, zoals hellende daken en platte daken, die elk hun eigen functie en esthetiek hebben. Het dak is niet alleen praktisch, maar kan ook een belangrijke esthetische waarde hebben in de algehele uitstraling van een gebouw.
Voorbeelden
- Tijdens de zware storm viel er een tak op ons dak, maar gelukkig was de schade minimaal.
- De kinderen speelden op het dak van de schuur, terwijl hun ouders in de tuin aan het werk waren.
- Het nieuwe huis heeft een prachtig rieten dak dat perfect past bij de landelijke omgeving.
Woordoorsprong
Het woord 'dak' komt van het Oudnederlands 'dach', wat ook 'bedekking' of 'overdekking' betekende. Het is verwant aan vergelijkbare woorden in andere Germaanse talen.
Veelgestelde vragen over dak
Wat is de betekenis van dak?
dak betekent: (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Welk woordgeslacht heeft dak?
dak is een onzijdig (het).
Wat zijn synoniemen van dak?
Synoniemen van dak zijn: kap, overkapping.
Hoe gebruik je dak in een zin?
Voorbeeld: “Door de hevige storm stortte het dak in.”
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "dac" van Oudnederlands "thak", in de betekenis van ‘bedekking van huis’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw
Uitdrukkingen
- Uit z'n dak gaan — Zeer boos of zeer vrolijk worden.
- iets op je dak krijgen — ergens de schuld van krijgen
- iets van de daken schreeuwen — iets overal bekend maken
- De speelman zit nog op het dak — gezegd van jonggetrouwde lieden, die nog in de wittebroodsweken zijn; de eerste vreugde is nog niet geheel voorbij, de muzikanten bevinden zich als het ware nog op het dak [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2202.phpv2112 www.dbnl.org]
- Een gouden dak op het huis hebben — wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld
- Een zilveren dak op het huis hebben — wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld
- Er is (te veel) dak op 't huis — er zijn te veel ongewenste toehoorders in de nabijheid en het is raadzaam om voorzichtig te zijn in het spreken [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0401.phpv397 www.dbnl.org]
- Onder dak zijn — goed geborgen zijn [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0399.phpv395 www.dbnl.org]