dak
onzijdig (het)/dɑk/
Wat is de betekenis van dak?
dak betekent: (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Voorbeelden van "dak" in een zin
- Door de hevige storm stortte het dak in.
- Uw witte schimmel is zwaar ziek, het zal zeker zes weken duren voordat hij weer beter is. En het is het enige paard dat over de daken kan rijden!'
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "dac" van Oudnederlands "thak", in de betekenis van ‘bedekking van huis’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw
Uitdrukkingen
- Uit z'n dak gaan — Zeer boos of zeer vrolijk worden.
- iets op je dak krijgen — ergens de schuld van krijgen
- iets van de daken schreeuwen — iets overal bekend maken
- De speelman zit nog op het dak — gezegd van jonggetrouwde lieden, die nog in de wittebroodsweken zijn; de eerste vreugde is nog niet geheel voorbij, de muzikanten bevinden zich als het ware nog op het dak [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2202.phpv2112 www.dbnl.org]
- Een gouden dak op het huis hebben — wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld
- Een zilveren dak op het huis hebben — wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld
- Er is (te veel) dak op 't huis — er zijn te veel ongewenste toehoorders in de nabijheid en het is raadzaam om voorzichtig te zijn in het spreken [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0401.phpv397 www.dbnl.org]
- Onder dak zijn — goed geborgen zijn [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0399.phpv395 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelsroof
Franstoit
DuitsDach
Spaanstecho
Italiaanstetto
Portugeestelhado
Russischкрыша
Chinees屋頂, 屋顶
Japans屋根
Koreaans지붕
Arabischسقف
Turksçatı, örtü
Poolsdach
Zweedstak
Deenstag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek