kap

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedekking ergens boven of overheen bijv. een lampenkap
  2. een bedekking van het hoofd
    Gelijke monniken gelijke kappen.
  3. de afdekking van een gebouw
    De kap van de woning was aan reparatie toe.
  4. het vellen of omhakken van bomen
    De houtkap in de tropen neemt zorgwekkende proporties aan.
  5. warmte-isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting

Etymologie

* In de betekenis van ‘bovendeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1468

Uitdrukkingen

  • Gelijke monniken, gelijke kappen
  • Kap en ( of noch) keuvelStoett-1077 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • De kap op de tuin hangenStoett-1078 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsbonnet, cap, hood
Spaanscapuz, capucha, cofia