damp

mannelijk (de)/dɑmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) de gasvormige toestand van een stof die bij kamertemperatuur vloeibaar of vast is, de toestand die ontstaan is door verdamping
    Met de damp die vrijkomt moeten nog proeven worden gedaan.
  2. meteorologie (meteorologie) een wolk kleine gecondenseerde waterdruppeltjes
    's Ochtends op de fiets rij je steeds door die damp.

Etymologie

* In de betekenis van ‘nevel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573

Vertalingen

Engelsvapour
Fransvapeur
DuitsDampf
Spaansvapor
Italiaansvapore
Portugeesvapor
Russischпар
Chinees蒸气
Japans蒸気, 湯気