darminhoud

mannelijk (de)/'dɑrmɪnhɔut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het mengsel van darmsappen en verteerd voedsel dat zich in de darmen bevindt
    De knaap viel boven op hem, onwezenlijk sterk en stijf, en vreemd: tijdens de felle worsteling die volgde voelde hij, heel feeëriek, bevreemdend scherp, als een oase in de woestenij, als een ijle, monotone vioolstreek achter een trommelslag, zowel zijn water als zijn op slag vloeibaar geworden darminhoud uit zijn lichaam lopen.
    Na gebruik worden ze eerst handmatig schoongemaakt en dan gaan ze in een speciale wasmachine. "Omdat je met zo’n apparaat door darminhoud gaat, kunnen er veel bacteriën op zitten en het blijkt moeilijk om die allemaal te verwijderen."