dashond
mannelijk (de)/'dɑshɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hondenras, klein, met lang lijf en korte poten, die speciaal gefokt wordt voor de jacht op dassenHij heeft thuis een dashond.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1810
Vertalingen
Engelsdachshund
Fransteckel, basset
DuitsDackel
Spaansteckel, perro salchicha, dachshund
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek