debiliseren

/ˌdebiliˈzerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zwakker of zwakzinnig worden
    Frans Kellendonk, een schrijver die ik erg hoog heb, zei eens: ‘We zijn met zijn allen aan het debiliseren’.
  2. ov (ov) zwakzinnig maken
    Hun opdracht is om de bevolking te debiliseren. De mensen tot één niveau terugbrengen zodat ze makkelijker aan te spreken en te leiden zijn.
    De Amerikaanse inlichtingendienst CIA dacht dat LSD het definitieve waarheidsserum' kon zijn. Ook zou het een potentieel gruwelijk wapen zijn, dat soldaten zou debiliseren.
  3. ov (ov) worden gepresenteerd alsof het publiek stompzinnig is
    Weerwolven, heksen en vampiers zijn nogal gedebiliseerd door de huidige filmcultuur.
    Mijn leven wordt totaal gedebiliseerd door de manier van vragen en formuleren.

Etymologie

*afgeleid van "debiel"