denappel
mannelijk (de)/ˈdɛnɑpəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- houtige vrouwelijke vrucht met schubben van dennenbomenCristiano Ronaldo ruikt naar aftershave en denappels.Toen de eekhoorns voor de mensen op de loop gingen hadden ze nog stukjes vlees in hun muil. Een getuige verklaarde dat de hond het zelf had gezocht omdat hij in struiken snuffelde en naar de eekhoorns blafte. Specialisten wijten de opmerkelijke aanval aan een groot tekort aan denappels.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek