derving

vrouwelijk (de)/'dɛrvɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verlies van inkomsten
    Volop euforie bij autorijdend Nederland en diverse belangenorganisaties, toen duidelijk werd dat VVD en PvdA de forenzentaks zouden afblazen. Het was ook een draak van een plan, dat nooit de beoogde opbrengst van bijna anderhalf miljard euro zou hebben gehaald. Het had hooguit geleid tot een nóg massalere overstap naar kleinere en/of belastingvriendelijke auto’s of leaseauto’s met geringe bijtelling, wat de schatkist van het Rijk een andermaal grote derving van auto-inkomsten (btw, bpm, wegenbelasting) had opgeleverd.NRC 12 november 2012
  2. het kwijtraken van iets

Etymologie

* van derven

Vertalingen

Engelsshrink