despoot

mannelijk (de)/dɛsˈpot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. politiek (politiek) onderdrukkende alleenheerser
    Hoe kun je democratisch besturen als je voorstellen en ideeën alleen door een despoot zouden kunnen worden uitgevoerd? NRC Bas Heijne 11 juni 2016
  2. heerszuchtig persoon of instituut
    Niemand weet wie de ‘financiële markt’ is, maar één ding is zeker. Het is de hoofdrolspeler, de boeman van de eurocrisis. Als een onzichtbare despoot regeert de markt per rentedecreet, stuurt hele regeringen weg, dwingt tot belastingverhogingen, loonmatigingen en bezuinigingen. De dag na de Spaanse verkiezingen is er maar één oordeel dat echt telt, de markt. Die hield zijn duim naar beneden. Onverbiddelijk. NRC Rosanne Hertzberger 23 november 2011
    Tegen de tijd dat ik hem ontmoette, was hij een despoot die met ijzeren vuist regeerde en geen enkele ongehoorzaamheid van zijn minderen duldde.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘alleenheerser’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Vertalingen

Fransdespote
DuitsDespot
Spaansdespot, déspota