deugd

mannelijk/vrouwelijk (de)/døxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
    In tegendeel: zij vormt de meest voortreffelijke deugd juist omdat zij geen gefixeerde deugd is.
    Hij stelt dat de mens de deugd dient te ontwikkelen binnen het netwerk van zijn relaties, dat hiërarchisch is geordend.
    Het is een grote deugd dat hij zo behulpzaam is.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "doghede" / "doghet" en Oudnederlands "dugath", in de betekenis van ‘het goed-zijn’ aangetroffen vanaf 1100

Uitdrukkingen

  • deugd doen
  • Van de nood een deugd makenVan iets slechts iets goed maken

Vertalingen

Engelsvirtue
Fransvertu
DuitsTugend
Spaansvirtud
Italiaansvirtù
Japans徳, とく, toku
Poolscnota
Zweedsdygd