deuropening

vrouwelijk (de)/ˈdøropəˌnɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Een opening in een muur die gesloten kan worden dmv een deur.
    Otto verschijnt met een mand turf in de deuropening.
    Hierna knikte hij begripvol tegen zijn vrouw, die hem vanuit de deuropening duidelijk maakte dat ze op het punt stond om naar bed te gaan.
    In de deuropening van het huis staat Nella te huiveren als hij aarzelend zijn hand opsteekt.