diamantair
mannelijk (de)/dijamɑn'tɛːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) handelaar en bewerker van diamantenHun levens waren getekend door de oorlog. Rutte was het nakomertje van een ondernemer die naar Indië trok, in de oorlog in een Jappenkamp zat, en eind jaren vijftig berooid uit de voormalige kolonie terugkeerde. Asscher kwam uit een joodse familie van juristen en diamantairs; zijn overgrootvader was tijdens de bezettingsjaren voorzitter van de Joodsche Raad. Dus als premier en vicepremier kwamen zij vanzelfsprekend op voor de gevestigde orde. De liberale democratie, de rechtstaat. De EU voor Europese samenwerking. De NAVO om de Russen af te schrikken, ook na de Koude Oorlog. De vrijhandel, de globalisering, de open grenzen.NRC 13 januari 2017
Etymologie
*van diamant ; leenwoord van "diamantaire"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek