digibeet

mannelijk (de)/ˌdiɣiˈbet/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, informatica, pejoratief (persoon) (informatica) (pejoratief) iemand zonder kennis en vaardigheid om met computers te werken
    Veel mensen hebben zorgen over de plannen om alle communicatie met de fiscus te digitaliseren. (…) Mensen die geen computer of internet hebben, digibeet zijn of niemand kennen die kan helpen, kunnen toch een papieren brief van de Belastingdienst krijgen.

Etymologie

*kofferwoord van "digitaal" en "analfabeet", in de betekenis van ‘iemand die volstrekt onkundig is op het gebied van computers’ aangetroffen vanaf 1995