diglossie

vrouwelijk (de)/ˌdiɣlɔˈsi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het tweetalig zijn
  2. vorm van maatschappelijke tweetaligheid waarbij twee afzonderlijke talen of variëteiten van dezelfde taal elk in duidelijk afgebakende leefsituaties worden gebruikt

Etymologie

* uit het Latijn