diglossie
vrouwelijk (de)/ˌdiɣlɔˈsi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het tweetalig zijn
- vorm van maatschappelijke tweetaligheid waarbij twee afzonderlijke talen of variëteiten van dezelfde taal elk in duidelijk afgebakende leefsituaties worden gebruikt
Etymologie
* uit het Latijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek