dikoor

mannelijk (de)/ˈdɪkor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) aandoening die wordt veroorzaakt door het bof-virus (een paramyxovirus)
    In Arendonk, Schilde en Schoten is een tiental gevallen van bof opgedoken. Omdat de ziekte heel zeldzaam was geworden, krijgen de huisartsen er richtlijnen. Bof is een virusinfectie die in de volksmond bekend is als dikoor. De Standaard 01/03/2011 door (TCK) [http://www.standaard.be/cnt/qt36up4s Tientallen gevallen van bof in Antwerpse Kempen]
    Intussen zijn er sinds begin dit jaar al meer dan zestig gevallen van bof, ook gekend als "dikoor", geteld in de provincie Antwerpen. De uitbraak concentreert zich voornamelijk in Arendonk (23 bofpatiënten), maar breidde intussen ook verder uit naar onder meer Mechelen. De Standaard 18/04/2011 door gma [http://www.standaard.be/cnt/dmf20110418_051 Bof-uitbraak in Kempen overgewaaid vanuit Nederland]
    De voorbije dagen doken berichten op over het opnieuw oprukken van kinderziektes als mazelen, kinkhoest en bof omwille van vaccinatievrees bij sommige ouders. Alle artsen en vaccinatoren krijgen dezer dagen een brief in de bus die hun speciale aandacht vraagt voor de vaccinatie tegen mazelen, bof (dikoor) en rubella (rodehond). De Standaard 23/04/2011 door llo [http://www.standaard.be/cnt/dmf20110423_085 'Vrouwen met kinderwens laten zich beter vaccineren']

Vertalingen

Engelsmumps